Maanlanding

Astronauten

Buzz Aldrin

Buzz Aldrin (geboren 1930) was de piloot van de maanlander bij Apollo 11 en de tweede mens die ooit voet zette op de maan. Met zijn doctoraat van MIT, zijn bijnaam “Dr. Rendezvous” en zijn decennialange pleidooien voor Marsmissies is hij een van de meest markante figuren uit de ruimtevaartgeschiedenis.

Edwin Eugene Aldrin Jr. werd op 20 januari 1930 geboren in Glen Ridge, New Jersey, en groeide op in het naburige Montclair. De bijnaam “Buzz” — afkomstig van hoe zijn zus Fay Ann het woord “brother” uitsprak — klonk zo aanstekelijk dat hij hem in 1988 officieel liet vastleggen als zijn voornaam. Zijn vader, een militair vlieger die het tot kolonel bracht, kende zowel Orville Wright als Robert Goddard, de pioniers van de lucht- en ruimtevaart. Buzz Aldrin kreeg de liefde voor de luchtvaart van huis uit mee.

Na zijn middelbareschooltijd studeerde hij aan de United States Military Academy in West Point, waar hij in 1951 afstudeerde als derde van zijn lichting. Hij werd straaljagerpiloot in de Amerikaanse luchtmacht en vloog 66 gevechtsmissies tijdens de Koreaanse Oorlog, waarbij hij twee vliegtuigen van de tegenstander neerschoot. Die bewezen moed en vliegvaardigheid legden de basis voor een carrière die hem uiteindelijk tot op de maan zou brengen.

Buzz Aldrin in het kort

Geboren: 20 januari 1930, Glen Ridge, New Jersey, VS.
Opleiding: West Point (1951); doctoraat ruimtevaarttechniek, MIT (1963).
Bijnaam: “Dr. Rendezvous” vanwege zijn expertise in koppelingsmanoeuvres.
Ruimtevluchten: Gemini 12 (1966) en Apollo 11 (1969).
Prestatie: tweede mens op de maan, 20 juli 1969.
Bekendste woorden op de maan: “Magnificent desolation.”

Doctor aan het MIT: de geboorte van “Dr. Rendezvous”

Wat Aldrin onderscheidde van veel van zijn collega-astronauten was zijn academische achtergrond. In 1963 promoveerde hij aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) met een doctoraat in de ruimtevaarttechniek. Zijn proefschrift, getiteld Line-of-Sight Guidance Techniques for Manned Orbital Rendezvous, behandelde de wiskundige en technische grondslagen van het koppelen van ruimtevaartuigen in een baan om de aarde — een van de meest kritische uitdagingen voor toekomstige maanmissies.

Die academische diepgang leverde hem de bijnaam “Dr. Rendezvous” op. Zijn werk over rendezvousprocedures — de manoeuvres waarbij twee ruimtevaartuigen in een baan om de aarde of de maan elkaar opzoeken en samenkomen — werd een cruciaal onderdeel van de operationele werkwijze van zowel Project Gemini als het Apollo-programma. Op een heel concrete manier droeg Aldrins doctoraat bij aan het mogelijk maken van de maanlandingen.

Geselecteerd als astronaut

Aldrin solliciteerde aanvankelijk naar de tweede lichting NASA-astronauten in 1962, maar werd afgewezen omdat men op dat moment alleen gevechtspiloten met testvliegervaring selecteerde — hij had geen testpilootervaring. Toen NASA de selectiecriteria verruimde, werd hij in 1963 wél toegelaten tot de derde lichting, de zogeheten “The Fourteen.” Zijn wetenschappelijke achtergrond en zijn diepgaande begrip van rendezvousprocedures maakten hem onmiddellijk waardevol voor het programma.

Aldrin was aanvankelijk ingedeeld als reservelid voor Gemini 10. Toen de geplande bemanning van Gemini 9, Elliot See en Charles Bassett, in februari 1966 omkwam bij een vliegtuigongeluk, schoof de reservebemanning door. Aldrin werd samen met Jim Lovell reserve voor Gemini 9A, en volgens het rotatiesysteem van NASA kregen zij daarmee de laatste Gemini-vlucht toegewezen.

Gemini 12: de triomf van de ruimtewandeling

Op 11 november 1966 steeg Aldrin op voor Gemini 12, samen met commandant James Lovell. De missie was de laatste in de Gemini-reeks en had een bijzondere taak: bewijzen dat astronauten effectief konden werken buiten hun ruimtecapsule tijdens een zogeheten extra-vehiculaire activiteit (EVA), beter bekend als een ruimtewandeling.

Eerdere Gemini-ruimtewandelingen waren problematisch geweest: astronauten raakten oververhit, uitgeput en verloren de controle over hun bewegingen in de gewichtloosheid. Aldrin loste dit systematisch op. Hij had op aarde uitgebreid geoefend in een onderwater-tank die gewichtloosheid nabootste, had speciale handgrepen laten ontwerpen en werkte zijn taken methodisch af. Zijn drie ruimtewandelingen aan boord van Gemini 12 — in totaal meer dan vijf uur — waren een succes en bewezen dat mensen nuttig werk konden verrichten buiten hun ruimtevaartuig. Die les was van fundamenteel belang voor Apollo.

De weg naar Apollo 11

Na het succes van Gemini 12 was Aldrin een logische kandidaat voor de Apollo-missies. Samen met Armstrong vormde hij de reservebemanning van Apollo 8, en volgens het rotatiesysteem werd hij daarna aangewezen als piloot van de maanlander van Apollo 11. Zijn crewleden waren commandant Neil Armstrong en piloot van de commandomodule Michael Collins.

Er was aanvankelijk enige discussie over wie de maanlander als eerste zou verlaten op het maanoppervlak. Operationele en technische overwegingen — onder meer de indeling van het luik en de positie van de astronauten in de cabine — leidden ertoe dat Armstrong als commandant de eer te beurt viel om als eerste naar buiten te gaan. Aldrin aanvaardde dit en richtte zijn energie op zijn eigen taak: tijdens de landing de instrumenten en de computer bewaken en Armstrong voortdurend hoogte en snelheid doorgeven.

Op het maanoppervlak

Op 20 juli 1969 daalden Armstrong en Aldrin in de maanlander Eagle af naar het oppervlak van de maan. Nadat Armstrong als eerste voet op de maan had gezet, volgde Aldrin zo'n twintig minuten later. Zijn beroemdste woorden kort na het afdalen van de ladder — “Magnificent desolation” — vatten het paradoxale van het maanoppervlak samen: een adembenemend panorama van een compleet lege, roerloze wereld.

Aldrin vertelde later met humor dat hij ook de eerste was die op de maan plaste — in het opvangsysteem van zijn ruimtepak. Serieuzer was zijn bijdrage aan de wetenschappelijke taken: hij hielp met het opzetten van instrumenten, verzamelde gesteentemonsters en voerde nauwkeurige metingen van de bodem uit. De volledige maanwandeling duurde in totaal ruim tweeënhalf uur. Meer over die historische eerste stappen is te lezen op de pagina eerste mens op de maan.

Kort na de landing, nog vóór de maanwandeling, had Aldrin ook een persoonlijk moment: hij had brood en wijn van zijn presbyteriaanse kerk meegenomen en nam het avondmaal in de krappe ruimte van de Eagle. Het moment was persoonlijk en spiritueel van aard — NASA had hem gevraagd het niet openlijk uit te zenden vanwege lopende rechtszaken over religie in overheidsprogramma's.

Aldrins bijdrage aan de wetenschap van het rendezvous

Aldrins MIT-proefschrift legde de technische basis voor de koppelingsmanoeuvres die onmisbaar waren voor de Apollo-missies. Zijn ideeën beïnvloedden de rendezvousprocedures die NASA voor Gemini en Apollo ontwikkelde. Een betrouwbare rendezvoustechniek was essentieel voor de maanlander om na het maanbezoek terug te keren naar de commandomodule in een baan om de maan.

Leven na Apollo: worstelingen en veerkracht

Terug op aarde bleek Aldrin minder goed om te kunnen gaan met zijn nieuwe status als beroemdheid dan zijn bescheiden crewlid Neil Armstrong. De overgang van de intensieve structuur van het astronautenleven naar het burgerbestaan was voor hem bijzonder zwaar. In zijn autobiografieën schreef hij openhartig over zijn gevechten met alcoholverslaving en depressie, die hem in de jaren zeventig in hun greep hielden. Die eerlijkheid werd door velen gewaardeerd als een zeldzame blijk van kwetsbaarheid in een wereld waarin helden geacht worden onkwetsbaar te zijn.

Aldrin trouwde vier keer — de laatste keer in januari 2023, op zijn 93e verjaardag — en heeft drie kinderen. Zijn veerkracht — hij klom terug uit zijn dieptepunten, stopte met drinken en hervatte zijn publieke activiteiten — maakte hem in de ogen van velen tot een inspirerend voorbeeld van hoe men zichzelf kan heropbouwen na tegenslag.

Pleitbezorger voor Mars en de toekomst van de ruimtevaart

Geen andere astronaut van zijn generatie heeft zich zo actief en luidruchtig ingezet voor de toekomst van de ruimtevaart als Buzz Aldrin. Vanaf de jaren tachtig trad hij op als publiek boegbeeld voor ambitieuze ruimteprojecten, met bijzondere nadruk op een bemande missie naar Mars. Hij ontwikkelde zijn eigen trajectconcepten — waaronder de zogeheten “Aldrin Mars Cycler,” een elliptisch traject tussen aarde en Mars dat het energieverbruik van zo’n reis zou minimaliseren.

Aldrin schreef meerdere boeken, waarvan sommige speciaal gericht op jonge lezers, om enthousiasme voor wetenschap en ruimtevaart te kweken. Hij ontmoette presidenten, Congresleden en internationale leiders om zijn agenda voor Marsverkenning te promoten. In interviews en op sociale media bleef hij actief tot op hoge leeftijd en toonde hij een aanpassingsvermogen aan nieuwe communicatiemiddelen dat menigeen verbaasde.

De missies die hij ondersteunde en bepleitte, zoals het Artemis-programma waarmee NASA opnieuw mensen naar de maan wil sturen — Artemis II vloog in april 2026 om de maan —, ziet hij als een tussenstap op weg naar de planeet waarvan hij droomt. Zijn collega's uit de Apollo-jaren staan beschreven op de pagina astronauten van Apollo.

Nalatenschap

Buzz Aldrin is bij het schrijven van deze pagina (oktober 2026) nog in leven en 96 jaar oud; hij is het laatste nog levende bemanningslid van Apollo 11 en de oudste nog levende astronaut. Zijn nalatenschap is veelzijdig: hij is de tweede mens die ooit op een ander hemellichaam stond, een pionier van de ruimtewandeltechniek, een wetenschapper wiens academisch werk de maanmissies mede mogelijk maakte, en een publieke figuur die decennialang de menselijke ruimtevaart heeft gepromoot.

Samen met Neil Armstrong en Michael Collins vormde hij de bemanning van de meest historische ruimtevlucht ooit. Op de pagina alle maanwandelaars staan de verhalen van alle twaalf mensen die tijdens de Apollo-missies over het maanoppervlak liepen. Aldrins voetafdrukken liggen er nog steeds — naast die van Armstrong — in de Zee der Rust.